1530/32 Lassus werd geboren in Mons – in de tegenwoordig Belgische provincie Henegauwen – en vermoedelijk gedoopt als Roland de Lassus. Met zeven jaar ging hij naar school. Een jaar later begon zijn muziekonderwijs, waarschijnlijk in de cantorij van de Sint Nicolaaskerk in Mons. Lassus werd driemaal ontvoerd vanwege zijn prachtige zangstem; tweemaal zagen zijn ouders hem weer terug.

Sint Nicolaaskerk in Mons
1545-6 Bij de derde ontvoering werd Lassus als zanger opgenomen in het gevolg van Ferdinand Gonzaga, veldheer van keizer Charles V. De reis ging via Mantua en Genua naar Conzaga’s paleis in Palermo op Sicilië. Twee maanden later reisde Lassus door naar Milaan, waar Conzaga tot gouverneur van de keizer was bevorderd.

Ferdinand Gonzaga
1507-1557
1549 Na een verblijf van drie jaar in Milaan ging Lassus naar Napels, waar hij als zanger werd opgenomen in de hofhouding van Giovanni Battista d’Azia, de markies Della Terza.
1551 Vanuit Napels reisde Lassus door naar Rome, waar hij een half jaar te gast was bij Antonio Altoviti, de aartsbisschop van Florence. Lassus werd aangesteld als kapelmeester in de Sint-Jan van Lateranen, een positie die Palestrina vier jaar later zou bekleden.

Sint-Jan van Lateranen: koorruimte
1554-6 Vanuit Rome keerde Lassus terug naar Mons, te laat voor het overlijden van zijn ouders. Met Giulio Cesare Brancaccio, Napolitaans edelman, militair, zanger en acteur, reisde Lassus naar Engeland en Frankrijk. Aansluitend vestigde hij zich voor twee jaar in de rijke koopmansstad Antwerpen. Voor het eerst verschenen composities van Lassus in druk.
1557 Lassus werd aangesteld als zanger in de hofkapel in München van hertog Albrecht V van Beieren. Hij ontving meteen een hoger salaris dan kapelmeester Ludwig Daser, mogelijk om te voorkomen dat de getalenteerde tenor en componist elders kapelmeester zou worden.

Albrecht V van Beieren
1528-1579
1558 Een jaar na zijn aanstelling in München trouwde Lassus met Regina Wäckinger, kamerdienares van hertogin Anna van Beieren. Voor zover bekend werden uit dit huwelijk zes kinderen geboren: twee dochters – Anna en Regina – en vier zoons – Ernst, Ferdinand, Rudolph en Wilhelm.

Lassus: 28 jaar
1560 Lassus reisde door de Nederlanden, op zoek naar nieuwe zangers voor de kapel in München. Margareta van Parma, landvoogdes der Nederlanden, schreef Lassus vanuit haar residentie in Brussel een brief, waarin zij hem opdroeg tevens zangers te vinden voor de hofkapel van de Spaanse koning Filips II in Madrid. De Franse koning Charles IX kende Lassus een erepensioen toe, mogelijk als beloning voor in Parijs uitgegeven chansons.

Charles IX
1550-1574
1562 Vijf jaar na zijn aanstelling in München nam Lassus de functie van kapelmeester over van Ludwig Daser, die eervol ontslag kreeg vanwege verminderde gezondheid; dat Lassus katholiek was en Daser protestants gezind, heeft mogelijk meegespeeld. Hertog Albrecht reisde naar Praag en Frankfurt, waar Maximilan II tot respektievelijk koning van Bohemen en keizer van het Heilige Roomse Rijk werd gekroond. Een deel van de hofkapel reisde mee om onder leiding van de nieuwe kapelmeester de aanwezigheid van de hertog luister bij te zetten. Lassus werd voor het eerst vader; onbekend is van welk kind.

Maximilian II
1527-1576
1564 Op zoek naar nieuwe zangers voor zijn kapel, reisde Lassus weer door de Nederlanden. Tijdens deze reis verbleef Lassus aan het hof van hertog Christoph von Württemberg in Stuttgart, wellicht om te musiceren of om partituren van zijn composities aan te bieden.

Christoph von Württemberg
1515-1568
1565 Naast kapelmeester Lassus werd Johann Jacob Fugger als intendant (zakelijk leider) van de kapel aangesteld, zodat hertog Albrecht zich niet meer met de organisatie van de hofmuziek hoefde te bemoeien.
1566 Lassus ontving 50 gulden van keizer Maximilan II voor enkele composities, die waarschijnlijk tijdens de Reichstag in Augsburg hebben geklonken.
1567 Alfonso II d’Este, hertog van Ferrara, had Lassus tijdens een bezoek in München opgedragen madrigalen te componeren. Lassus reisde naar Italië om de bestelde werken aan te bieden, maar helaas, de hertog was weinig enthousiast.

Alfonso II d’Este
1533-1597
1568 Ter gelegenheid van het huwelijk van hertog Albrechts zoon en troonopvolger Wilhelm met Renate van Lotharingen, klonken Lassus’ imposante motetten Gratia sola Dei en Quid trepidas. Lassus trad tijdens de festiviteiten ook op als zangsolist, zichzelf op de luit begeleidend.

Wilhelm V van Beieren & Renate van Lotharingen
1569 Tijdens de Reichstag in Frankfurt am Main was hertog Albrecht aanwezig, mogelijk met Lassus en een deel van de hofkapel. Opnieuw werd Lassus vader, ditmaal van dochter Anna of Regina.

Lassus: 40 jaar
1570 Hertog Albrecht bezocht keizer Maximilan in Praag. In zijn gevolg was ook Lassus, die enkele composities voor de keizer had meegenomen, en daarvoor 100 zilveren daalders ontving. Tijdens de Reichstag in Speyer ontving troonopvolger Wilhelm de oorkonde waarmee Lassus in de adelstand was verheven. Het familiewapen, met de symbolen voor de hexachorden durum, naturale en mollum, toont dat Lassus vanwege zijn verdiensten als musicus was gedecoreerd.

Lassus’ wapenschild met muziektekens
1571 Op aanbeveling van hertog Albrecht ging Lassus naar Parijs om Charles IX – in 1560 de schenker van het erepensioen – in persoon te ontmoeten. Lassus droeg een in Parijs uitgegeven bundel chansons op aan de koning, die hem het persoonlijk drukprivilege oftewel het beschermde auteursrecht voor Frankrijk verleende. In Wenen ontving Lassus van keizer Maximilian II 150 gulden voor een mis en andere partituren.
1572 In Parijs vond de Bartholomeüsnacht plaats, het begin van de massale moord op protestanten. Lassus was onderweg naar Antwerpen, maar werd door Ernst van Beieren – hertog Albrechts jongste zoon – in Keulen tegengehouden. Omdat de onlusten ook in de Nederlanden plaatsvonden, ging het gerucht dat Lassus aldaar was omgekomen.

Le Massacre de la Saint-Barthélemy
François Dubois, 1529-1584
1573 Vanwege de kroning van Henri d’Anjou – de latere Henri III – tot koning van Polen, werd in Parijs een ballet opgevoerd, dat opende met een contrafact van Lassus’ dubbelkorige staatsmotet Unde revertimini.

Henri III
1551-1589
In Wenen ontving Lassus van keizer Maximilian II geld en een gouden ereketen als beloning voor het eerste deel van Patrocinium Musices (‘Schutspatroon der Muziek’), de op perkament gedrukte, ongekend fraai verluchtigde en zeer luxe gebonden serie koormuziek die troonopvolger Wilhelm liet vervaardigen, en waarvan het eerste deel motetten van Lassus bevatte. Renate uitte in een brief aan haar man, troonopvolger Wilhelm, bezorgheid over geruchten dat Lassus ontslag zou willen nemen. Gezien Lassus’ successen in Frankrijk en zijn moeizame verstandhouding met hertog Albrecht was dat zeker niet denkbeeldig.
1574 Via muziekuitgever Adrien le Roy kreeg Lassus het aanbod in dienst van Charles IX te treden. De Franse koning al lang onder de indruk van Lassus’ muzikaliteit, en hield met name van diens chanson Un jeune moine en de Prophetiae sibyllarum. Lassus sloeg het aanbod af: het geboden salaris was even hoog als het erepensioen dat hij reeds uit Parijs ontving; daarnaast had Lassus inmiddels een haast vriendschappelijk contact opgebouwd met troonopvolger Wilhelm, die de prestigieuze Patrocinium-uitgave juist ter ere van zijn vaders kapelmeester was gestart.

Paus Gregorius XIII
1502-1585
Weer op zoek naar nieuwe zangers reisde Lassus ditmaal door Italië. In Rome ging hij op audiëntie bij paus Gregorius XIII om het tweede deel van de Patrocinium Musices, dat was opgedragen aan de paus en missen van Lassus bevatte, aan te bieden. Lassus zou bij deze gelegenheid verheven zijn tot ridder in de Orde van het Gulden Spoor, de pauselijke orde waar later ook Mozart toe zou behoren. Na terugkomst in München verbleekte het succes van de Italië-reis, omdat hertog Albrecht ontevreden was over de kwaliteit van de zangers die Lassus had meegenomen. Niettemin vergezelde Lassus zijn broodheer naar Neuburg, voor het huwelijk van graaf Philipp von Pfalz-Neuburg en prinses Anna von Jülich-Kleve-Berg.

Philipp von Neuburg
1547-1614
1575 Lassus ging naar Evreux, honderd kilometer ten noordwesten van Parijs, om deel te nemen aan de puy. Deze componeerwedstrijd werd sinds 1570 jaarlijks gehouden ter ere van Sint Caecilia, beschermvrouwe van de muziek, en stond onder auspicieën van Guillaume Costeley, de hoforganist van Charles IX. Met het vijfstemmige Domine Jesu Christe won Lassus de eerste prijs in de categorie ‘Latijnse motetten tot vijf stemmen’.

Guillaume Costeley
1530/31-1606
1577 Vanwege bezuinigingen op de hofhouding van hertog Albrecht werd Lassus’ kapel teruggebracht tot 34 zangers en instrumentalisten. Omdat een van zijn dochters naar het klooster ging en zijn zuster kommervol leefde in de in oorlog verkerende Nederlanden, vroeg Lassus op zijn jaarsalaris van 550 gulden een toelage van 300 gulden aan. Albrecht schonk hem 200 gulden; vanwege het verschil verkocht Lassus een vergulde beker, die hij als eregeschenk had gekregen, terug aan het hof. De verhouding tussen Albrecht en Lassus was duidelijk onplezierig.
1579 De zieke hertog Albrecht kende Lassus officieel een levenslang salaris van 400 gulden per jaar toe. Tijdens de begrafenis van de overleden hertog trad de hofkapel zonder instrumentalisten op; voor zover bekend heeft Lassus geen muziek speciaal voor deze plechtigheid gecomponeerd. Na de dood van Albrecht volgde een rouwperiode van dertig dagen, waarna Wilhelm de regering van Beijeren overnam als hertog Wilhelm V.

Wilhelm V van Beieren
1548-1626
1580 Lassus werd door de Saksische keurvorst August aangezocht in Dresden de overleden hofkapelmeester Antonio Scandello op te volgen. Lassus zag van het aanbod af, vanwege zijn leeftijd en goede financiele positie in München, maar beveelde wel Jacob Regnart en Balduin Hoyoul aan; uiteindelijk viel de keuze op Giovanni Battista Pinello.
1581 Vanwege bezuinigingen slonk de kapel van 44 naar 17 zangers en instrumentalisten; gelukkig voor Lassus bleef Wilhelms financiele beleid niet zo strikt, want tien jaar later had de kapel weer de oude omvang. Keizer Rudolf II verleende Lassus het persoonlijk drukprivilege, waarmee het auteursrecht op zijn in Duitsland gedrukte werken verzekerd was. Hertog Wilhelm, bijgenaamd ‘de Vrome’, nam Lassus en zijn kapel mee naar de bedevaart in Altötting.

Rudolf II
1552-1612
1582 Lassus reisde voor de derde en laatste keer in het hertogelijk gezelschap mee naar de Reichstag in Augsburg. In Verona bezocht Lassus de graaf Mario Bevilacqua, die in zijn paleis kunst verzamelde en concerten in organiseerde; drie jaar later zou Lassus een nieuwe bundel madrigalen aan hem opdragen.
1583 Lassus nam voor de tweede keer deel aan de puy (componeerwedstrijd) in Evreux, en behaalde wederom de eerste motetprijs, dit keer met Cecilia-motet Cantantibus organis.
1585 Hertog Wilhelm liet zich door Lassus en enkele musici uit de hofkapel vertegenwoordigen op de bedevaart naar Loreto; legende wil dat het huis van Maria, de moeder van Jezus, in 1294 door engelen naar deze Italiaanse kustplaats is gebracht, omdat het Heilige Land door de Turken werd bedreigd.
1587 Hertog Wilhelm schonk Lassus als teken van dank een tuin bij het klooster Fürstenfeld in Schöngeisung (nabij München), waarop Lassus een buitenverblijf liet bouwen. Verder zegde de hertog een pensioen van 100 gulden per jaar toe aan Lassus’ vrouw Regina. Lassus zelf kreeg het aanbod in 1590 met pensioen te gaan, maar hij is niet op dit aanbod ingegaan. Lassus’ zonen Ferdinand en Rudolf, respektievelijk kapelmeester en organist aan het hof van graaf Eitel Friedrich von Hohenzollern in Hechingen (onder Stuttgart), kregen het aanbod tot de hofkapel in München toe te treden.
1590-91 Het vele componeren bracht Lassus een zware geestelijke inzinking, die hofarts Dr. Thomas Mermann trachtte te bestrijden met een dieet van wijn en groenten.

Lassus: 61 jaar
1592 Net als in 1581 zag hertog Wilhelm zich gedwongen te bezuinigen op de hofkapel, en werden negen zangers ontslagen; Lassus daarentegen kreeg een salarisverhoging.
1594 Lassus overleed op 14 juni 1594, en werd begraven op de toenmalige franciskaner begraafplaats in München. De leiding over de in verval geraakte hofkapel werd overgenomen door vice-kapelmeester Johann de Fossa.

Monument in Mons